(Online) Marketing termen in 2020: een begrippenlijst

Wanneer je als online marketeer op het gemiddelde Hollandse verjaardagsfeestje gevraagd wordt ‘wat je eigenlijk voor werk doet’ dan is het altijd een lastige afweging: vertel je dat je ‘B2B bedrijven helpt om hun ROAS te optimaliseren binnen PPC campagnes’ of houd je het bij ‘ik ben online marketeer’ met het risico dat je gesprekspartner je in zijn mentale hokje van ‘email spammer’ plaatst…

In dit artikel geen advies over bovenstaande. Wel een overzicht van de meest gebruikte begrippen in (online) marketing. Ook zeer goed te gebruiken om nadat je verteld hebt wat je eigenlijk doet een linkje na te sturen via Linkedin of Whatsapp zodat je gesprekspartner jouw beschrijving zelf kan ontcijferen.

(Online) Marketing Begrippenlijst

AIDA – AIDA staat voor Attention, Interest, Desire, Action en is een model waarmee de verschillende stappen in het aankoopproces worden bedoeld. Een goede marketingstrategie geeft antwoord – of houdt rekening met – de verschillende fases of stappen binnen dit model.

API – Een API omvat een aantal regels waarmee verschillende systemen met elkaar kunnen communiceren. Een API dient een verzoek in om informatie uit een bepaalde applicatie te halen en deze te gebruiken in een andere. Zo kan een API bijvoorbeeld een website koppelen aan een mailsysteem, waardoor iemand opgenomen wordt in de mailinglijst als hij/zij een bepaald formulier invult.

AVGAVG, oftewel Algemene Verordening Gegevensbescherming is een vervangende wet voor de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en geldt voor alle bedrijven en organisaties.

B2B – B2B staat voor business to business en betreft ‘bedrijven die zaken doen met andere bedrijven’. In de kern draait het bij B2B marketing om het genereren van leads en realiseren van up-selling bij huidige klanten. Bij business to business, is een bedrijf de klant.

B2C – B2C staat voor business to consumer: Bedrijven die producten of diensten leveren aan consumenten. Dit betreft bedrijven die zich gericht hebben op de particuliere markt. B2C marketing richt zich doorgaans op grotere groepen prospects dan B2B marketing.

CMS – Een CMS, ook wel “Content Management System” genoemd is een webapplicatie waarmee websites beheerd en bewerkt kunnen worden. Voorbeelden van CMS systemen zijn WordPress en Joomla .

CPA – CPA betekent ‘Cost Per Action’ staat voor de kosten per conversie wanneer een beoogde actie behaald wordt. Dit kan een aankoop in een webshop zijn, maar ook het invullen van een contactformulier.

CPC – De afkorting CPC staat voor ‘Cost Per Click’. Met CPC worden de kosten bedoeld die berekend worden als iemand klikt op één advertentie in bijvoorbeeld een zoekmachine of social media platform.

CPM – CPM staat voor ‘Cost Per Mille’ en wordt gebruikt wanneer adverteerders gebruik maken van de mogelijkheid voor het betalen per 1.000 impressies/vertoningen op een advertentie.

CRM – In een ‘Customer Relations Management systeem’, ofwel CRM-systeem noteer je alle gegevens die je van een bedrijf weet, inclusief de contacten die je bij dit bedrijf hebt. In een CRM-systeem staan o.a. de verschillende contactpersonen, afspraken, notities en andere belangrijke informatie.

CSS – CSS is een programmeertaal waarin staat hoe een webpagina gepresenteerd wordt. Zo omvat een Cascading Style Sheet (CSS) o.a. informatie over de gebruikte kleuren, de beleving, etc. CSS werkt samen met HTML om een website zo goed mogelijk aan de gebruiker voor te schotelen.

CTA – Een CTA (Call to Action) is een belangrijk onderdeel van een website of applicatie. Door middel van een CTA stimuleer je gebruikers om een specifieke actie (invullen formulier, kopen, downloaden, etc.) te ondernemen op de website.

CTR – CTR staat voor ‘Clickthrough Rate’. De CTR is de verhouding tussen het aantal keer dat een advertentie wordt bekeken en het aantal keer dat er uiteindelijk op wordt geklikt. De CTR is dus de ratio tussen het aantal klikken en het aantal views. CTR = Klikken / Views.

DMU – Een decision making unit (DMU) is diegene of het team dat binnen een organisatie verantwoordelijk is voor het nemen van een aankoopbeslissing.

DNS – Een DNS is een server die de vertaling maakt van webadres naar één of meerdere IP-adressen.

FAQ – Een FAQ is een lijst met ‘Frequently Asked Questions, ofwel veelgestelde vragen door klanten of gebruikers. Wanneer klanten vaak tegen dezelfde vragen/problemen aanlopen, kan een FAQ en de bijbehorende antwoorden worden opgesteld om niet iedere keer hetzelfde antwoord te hoeven geven vanuit een support medewerker.

FTP – FTP (File Transfer Protocol) is een veelgebruikte wijze om de bestanden van een website online te plaatsen op hiervoor bestemde hostingruimte. Een voorbeeld van een populair FTP-programma is FileZilla.

GA – GA staat voor ‘Google Analytics’ en is een webapplicatie voor het meten en analyseren van het bezoek van websites. Analytics is één van de meest uitgebreide statistiekpakketten die gratis beschikbaar zijn.

HTML – HTML is een programmeertaal waarin de architectuur van oa. websites en e-mails wordt vastgelegd. HTML is het skelet van jouw website/e-mailing wat, in samenwerking met het CSS, de website vormt.

IAB – Het Interactive Advertising Bureau (IAB) is de brancheorganisatie voor de branche van digitale advertenties en interactieve marketing. IAB zorgt oa. voor standaarden op het gebied van display ads.

IMAP – Internet Message Access Protocol (IMAP) is een standaard waarmee e-mail kan worden verzonden en ontvangen.

JPEG – Een JPEG is een bestandstype dat wordt gebruikt voor het digitaal opslaan van afbeeldingen. Dit bestandstype bevat geen transparantie zoals bij PNG.; er wordt altijd een wit vlak achter de afbeelding gezet.

JS – JavaScript is de programmeertaal die het meest gebruikt wordt om zogeheten ‘dynamische webpagina’s’ te maken. Het is een taal die voor interactie met de gebruiker zorgt. Bij HTML en CSS kun je er niet voor zorgen dat er iets gebeurt met de webpagina als de gebruiker op een toets drukt, ergens op klikt of iets anders doet. Daar is JavaScript voor.

KISS – Het KISS-principe (Keep It Stupid Simple) is afkomstig uit de programmeurswereld, waar het al in de late jaren 70 in gebruik is om grote en vooral gecompliceerde programma’s te vermijden, en is in feite een vertaling van Dijkstra’s uitspraak “Simplicity is a prerequisite for reliability” (eenvoud is een voorwaarde voor betrouwbaarheid).

KPI – Key performance indicators (Nederlands: kritieke prestatie-indicatoren) zijn variabelen om de prestaties van een bedrijf, merk of product te analyseren. KPI’s worden gebruikt om het succes van een organisatie in het algemeen objectief te kunnen meten, of het succes van een bepaalde actie of campagne te peilen.

POP3 – Om e-mail van de mailserver te kunnen halen is een speciaal protocol nodig. De afkorting POP staat in deze context voor Post Office Protocol en het getal 3 geeft het versienummer aan. Bij POP3 worden e-mailberichten op de mailserver bewaard totdat de “eigenaar” inlogt en alle complete berichten ophaalt.

PPC – Bij PPC of pay-per-click betaalt een adverteerder per klik op zijn advertentie. Je betaalt per klik op je advertentie in bijvoorbeeld zoekmachines, op andere websites en op social media platformen. Is de PPC 0.50 euro, dan betaal je dus 1.50 euro voor 3 klikken op je advertentie.

ROAS – ROAS staat voor Return On Advertising Spend, een methode om de effectiviteit van een advertentie campagne te bepalen. Met deze methode kan een bedrijf of organisatie bepalen welke aanpak het meeste effect heeft, en hoe de online marketing strategie verbeterd kan worden. uitgangspunt hierbij is het rendement van het gespendeerde mediabudget,

SEA – SEA staat voor (Search Engine Advertising), hiermee wordt het betaald adverteren in zoekmachines zoals Google en Bing bedoeld. Door te adverteren in zoakmachines kun je je zeer specifiek op een bepaalde doelgroep en hun zoekvraag richten.

SEO – SEO (search engine optimization) staat voor een verzameling van technieken en tactieken die gericht zijn op het optimaliseren van websites of internetpagina’s teneinde de vindbaarheid door zoekmachines te verbeteren.

SERP -‘ Search Engine Results Page’ of ook wel “zoekmachine resultaat pagina” is de resultatenpagina die een zoekmachine toont wanneer er een zoekopdracht is ingevoerd. De zoekmachine streeft er naar om de SERP zo relevant mogelijk te maken gebaseerd op de zoekopdracht.

SLA – Een Service Level Agreement (SLA) is een afspraak tussen leverancier en klant over de beschikbaarheid en ondersteuning van een product of dienst. SLA’s komen eigenlijk alleen voor bij dienstverlening tussen bedrijven.

UI – Ofwel ‘User Interface’ is een grafisch vormgegeven schil waarmee gebruikers en apparaten met elkaar kunnen communiceren. Het doel van een user interface is tweeledig: de gebruiker in staat stellen het apparaat te bedienen en het systeem de mogelijkheid geven om informatie te presenteren aan de gebruiker.

URL – URL staat voor ‘Uniform Resource Locator’ en is het adres van een bestand op internet. Dit zijn webpagina’s of afbeeldingen. Ieder bestand krijgt een eigen URL.

UX – Een UX designer of ‘User Experience Designer’ is iemand die zich bezighoudt met het ontwerpen van een betekenisvolle en aangename gebruikerservaring, over het algemeen op het gebied van websites, software programma’s, apps en games.

XML – ‘Extensible Markup Language’ (XML) is een standaard van het World Wide Web Consortium voor de syntaxis van formele opmaaktalen waarmee men gestructureerde gegevens kan weergeven in de vorm van platte tekst. Deze presentatie is zowel leesbaar voor een machine als voor de mens. XML wordt oa. gebruikt in RSS feeds.

CPS – CPS is de Engelse afkorting voor ‘Cost Per Sale’. Bij deze vorm van adverteren betaalt de adverteerder over het algemeen pas aan de publisher (de bron waar de advertentie vertoond wordt) wanneer er daadwerkelijk een verkoop heeft plaatsgevonden nadat er op de advertentie is geklikt.

ROI – ROI is de Engelstalige afkorting van ‘Return on investment’. De ROI geeft voor een campagne de verhouding tussen de opbrengsten en de gedane investering weer. ROI wordt uitgedrukt in een percentage en meet de financiële toegevoegde waarde ten opzichte van de kosten.

HTTPS – ‘HyperText Transfer Protocol Secur’ (HTTPS) is een protocol voor het afhandelen van aanvragen tussen een cliënt (browser) en server (webserver). Voor het gebruik van HTTPS dien je een SSL Certificaat te installeren. Dit is een veiliger protocol op het internet dan een onversleutelde (http) verbinding.

IP – IP ook wel ‘Internet Protocol’ genoemd, is een adres bij het TCP-IP-protocol (Internet netwerkadres), bevat 4 cijfers tussen de 0 en 254. Het ziet eruit als 213.19.123 (dit is IPv4, IPv6 is langer)

SSL – staat voor ‘Secure Sockets Layer’ wat betekent dat er een beveiligde laag geplaatst wordt tussen een server en een internet browser waardoor de gegevens beveiligd worden. SSL certificaten maken gebruik van het https-protocol van de browser (via poort 443) wat de beveiligde verbinding tot stand brengt.

Geplaatst in Blog, Marketing.

Andere berichten